Op de druiven

In de wijngaard is de temperatuur van het klimaat een van de factoren voor de keuze van de druivensoort. In koele en vochtige streken vindt je bijvoorbeeld Riesling, Silvaner, Müller-Thurgau en Regent. In warme en droge streken bijvoorbeeld grenache, syrah, carignan en mourvèdre. Sommige druivensoorten staan in warme én koude klimaten, zoals de chardonnay en sauvignon. Deze druivensoorten passen zich gemakkelijk aan. Het verschil in temperatuur bepaalt de duur van de rijping van de druiven. Een lange rijpingstijd geeft frisse wijnen met een hogere zuurgraad. Dit vindt je terug in de smaak van de wijn.

Van de oogst tot de vinificatie

Tijdens de oogst is het belangrijk om de druiven te plukken bij een lage temperatuur. Ze kunnen dan zo gaaf mogelijk, zonder al te veel oxidatie, naar de wijnkelder worden gebracht. De beste oogsttijd is ’s nachts of ‘s morgens. Na de oogst wordt de temperatuur tijdens de vinificatie op peil gehouden. Gisting veroorzaakt warmte. Door de wijn tijdens de gisting te koelen, is er tijd voor inweking van de druivenschillen. Bovendien blijven niet-gewenste aroma’s in de wijn weg. Temperatuur controle draagt in belangrijke mate bij aan de kwaliteit van de wijn.

Op de wijn in de fles
Een fles ligt het best op een koele, donkere plaats. Dit mag gerust tussen de 5 en 10°C zijn. De wijn krijgt dan alle tijd om langzaam te ontwikkelen in de fles. Vooral de complexere wijnen kunnen na flesrijping voor een verrassende smaak zorgen.
In een warm vertrek, duwt de wijn de niet zichtbaar aanwezige CO2 uit de fles, sneller uit de fles aangevuld. Dit wordt terug aangevuld door zuurstof. Een snelle ontwikkeling is het gevolg, snel opdrinken is dan het advies.

Op de wijn in het glas

De juiste temperatuur is van invloed op de smaak. Bij een te koude wijn proef je weinig of geen aroma’s. Bij een te warme wijn komt de ‘alcohol’ geur sterk naar voren.
Op 6°C schenk je; een droge witte mousserende wijn en een zoete witte wijn. Met deze temperatuur komt de mousserende wijn extra fris over in de smaak, en maak je de zoete wijn minder zoet.
Op 8°C schenk je; een doorsnee droge witte, bloemige, mineralige en licht fruitige wijn.
Iets warmer op 10 tot 12°C schenk je de wijnen met de complexe aroma’s en houtgerijpte witte wijnen.
Tussen 16 en 18°C fruitige, aromatische, houtgerijpte rode wijnen en zoete rode wijnen, zoals port. Alle hierboven genoemde wijnen zullen na het serveren altijd wat warmer worden, waardoor de wijnen meer aroma’s vrij geven en nog smaakvoller worden. Tip; zet ze na het serveren terug in de koelkast of gebruik een koelemmer voor de rode wijn in de zomer.